Laat middeleeuws orgel

Dit 15de eeuwse instrument is bedoeld om de muziek van de Faenza en Robertsbridge Codex verantwoord te kunnen uitvoeren. Ook de muziek uit het Buxheimer Orgelbuch kan gespeeld worden.


Hiertoe is een orgel ontworpen met een chromatische pijpopstelling en verschillende klankkleuren. Er zijn twee "registers" één met de grondtoon: de "Doef" en één met de quint daarboven: de "Positie". Samen gebruikt ontstaat er dan een soort akoestische 16 voet en dat geeft een grote draagkracht.

De toetsomvang is van A tot c³ dus 40 tonen. Er is een aangehangen pedaal gemaakt met de omvang van A tot aº. Dit naar voorbeeld van het bewaard gebleven middeleeuwse pedaalklavier uit Westerhusen in Duitsland, dat bewaard wordt in het "Organeum" in Weener.



De pijpen zijn van gehamerd orgelmetaal gemaakt met 98% lood en 2 % tin. Het is op zand gegoten materiaal en na het hameren niet meer geschaafd. De mensuratie is genomen naar de voorschriften die Arnout van Zwolle vermeldt (uitgave Cerf en Labande 1936). De stemming is natuurlijk pythagorisch naar het voorbeeld zoals Arnout dat beschrijft. De pijpen zijn, volledig volgens Arnout van Zwolle, met open voet geïntoneerd, zonder kernsteken, op een winddruk van ongeveer 42 mm.

De windvoorziening is middels afneembare "smids"balgen aan de achterzijde van het orgel. Er kan ook een elektrische ventilator, in een geluidisolerende kist, op aangesloten worden om alleen te kunnen oefenen. De handbediening veroorzaakt duidelijk een rustiger wind.



De afmetingen van het orgel zijn de volgenden De hoogte is ± 270 cm, de breedte is ± 90 cm en de diepte is zonder balgen ± 50 cm. De twee balgen zijn ongeveer 80 cm lang.

De kas is gemaakt vam Libanon ceder, het klavier belegd met hulsthout en de octaafbreedte is 19 cm, 3 cm breder dan normaal.

Het nieuwgebouwde orgel is in zekere zin een fantasie-instrument, maar is gemaakt op basis van zorgvuldige bestudering van oude bronnen, zoals traktaten en afbeeldingen en bewaard gebleven delen.


Ter aanvulling van het in 2010 voor David Rumsey vervaardigde laat-middeleeuwse kreeg de orgelmakerij opdracht een reconstructie te maken van extra register. Dit register is gemaakt volgens het 'duivenei' principe. Hierbij blijft diameter van alle orgelpijpen hetzelfde (zoals in een traktaat uit de 11e eeuw staat).
Dit was geen eenvoudige opgave; de constante diameter in de bas is bijzonder nauw en bovenin is de discant extreem wijd. Wij kozen een diameter van 35 mm (hedendaags duivenei), en we gebruikten metaal met dezelfde samenstelling en bewerking als de pijpen die al in het orgel staan; 98 % lood en 2% tin en een spoor koper. De oppervlaktebehandeling is gehamerd.
Weldra bleek dat de hoogte van de opsnede niet gerelateerd kan worden aan de labiumbreedte. We kozen daarom een opsnedehoogte die pijpen met een 'normale` opsnede voor de toonhoogte ook hebben, dus onderin relatief hoog en bovenin laag. Er werden geen kernsteken gebruikt. Bij de langste pijpen bleek de toonvorming pas goed op gang te komen toen we onze vingers ter weerszijde van het labium hielden. We hebben natuurlijk geen bewijs dat er in deze periode ook werkelijk zijbaarden gebruikt werden, maar we nemen aan dat de toenmalige vaklui dat zeker bedacht kunnen hebben. Daarom hebben we de grootste 7 pijpen van middeleeuws vormgegeven 'baarden' voorzien.

Bij het gebruik bleek dat de toonvorming van laag naar hoog, nieuwe muzikale inspiratie geeft. Jankees Braaksma meent dat het orgel met dit nieuwe register (met een duidelijke 'Spuck') prijs geeft welk klankideeal er in de 14e en begin 15e eeuw bestond. De vroege orgeltabulaturen, (Winsem, Oldenburg, Robbertsbridge) klinken fraai, maar ook 3- stemmige wereldlijke muziek uit de 14e en begin 15e eeuw klinkt nu fantastisch. De combinatie met tijdeigen instrumenten en zang zal een nieuw licht werpen op de uitvoering van dit repertoire.


Bronvermelding:

Berner orgeltraktat: "De fistulis organicis quomodo fiant" (f 2v-3r)
In: Acta Musicologica 20, 1948, s 13-20

Klaus Jürgen Sachs: "Mensura fistularum" pag. 100
Eher läßt sich Übereinstimmung sehen zwischen der vielzitierte Angabe aus Cuprum purissimum (Sz 3), die (konstante) Pfeifenweite solle einem »Taubenei« (gerade eben) Platz bieten, und den Kreiszeichnungen aus den Quellen der Schule Wilhelms von Hirsau. Die Durchmesserwerte für das »Taubenei« schwanken zwar nicht unwesentlich, schließen jedoch die in den Abbildungen gegebenen Maße ein.


"Klankvoorbeeld Duivenei mensuur"(1,52 Mb)



"Link naar de website van David Rumsey in Bazel"



"Link naar het artikel van Kimberly Marshall in 'The American Organist` "