Duivenei orgel


Kortgeleden is in onze werkplaats een nieuw orgel gemaakt dat uitgaat van tractaten en afbeeldingen uit de 13de en 14de eeuw.
De "duivenei mensuur" wordt in het boek Mensura fistularum van Curt Sachs op pag 100 genoemd in het tractaat: Cuprum purissimum. De naam van Wilhelm von Hirsau wordt hierbij aangehaald. De exacte duiveneimaat is door verschillende mensen in de litteratuur anders geinterpreteerd Mahrenholz geeft ergens 20 tot 30 mm en 24 tot 30. Tellerer geeft 25 mm, Hickman 29 mm, Walcker en Frotscher zelfs 37 mm.

Het instrument heeft de volgende omvang:
            b        cis dis      fis gis b        cis dis      fis
d   e   f   g   a   h   c   d   e   f   g   a   h   c   d   e   f   g   a


De omvang is deels bebaseerd op het tractaat: Ars et modus pulsandi organa dat we via Liuwe Tamminga uit Bologna gekregen hebben. Het gaat om "Trattato" van Teodono de Caprio uit ongeveer 1431. Bewust hebben we gedacht vanuit een kleinere toonomvang in tegenstelling tot de uitbreiding van ons laat middeleeuws orgel dat in Basel (CH) staat, vandaar de iets kleinere duiveneimaat van 27 mm. Omdat de toonomvang bij het orgel voor David Rumsey vrij groot is en ook laag wat toonhoogte betreft, hebben we daar voor een relatief groot duivenei (34mm) gekozen. Omdat er nauwelijks ervaring is met de intonatie van dergelijk pijpwerk, moest veel experimenteel onderzocht worden. Uiteindelijk zijn we erin geslaagd een acceptabele klank te verkrijgen door relatief dikke kernen te maken en de opsnede niet in verhouding tot de labiumbreedte te kiezen, maar te relateren aan de absolute toonhoogte bij open prestant pijpen. Dus worden in de bas de opsnedes relatief hoog en bovenin de discant laag. De voetopening is overal gelijk en niet ingekolft. De winddruk is laag, 33 mm, zelfs lager als in oude italiaanse orgels gebruikelijk is. Het klankverloop in zon register is voor moderne oren nieuw, maar past volgens Jankees Braaksma, de leider van de groep Super Librum uit Groningen, zeer goed in vroeg-middeleeuwse muziek.

In het nieuwe vroeg middeleeuwse duivenei orgel dat kort geleden gemaakt werd, is het uitgangspunt qua pijpopstelling ook ouder. Er zijn twee 8-voets stemmen vervaardigd die altijd functioneren. Registrabel is een 6-voet, die door middel van een bovensleep bediend wordt. De windlade wordt als ''Bohlenlade'' uitgevoerd. Dus met een ingezaagde plank als cancellenraam en de ventielen zijn opblaasbaar gemaakt, zoals uit de volgende tekening duidelijk wordt.


De vorm van de toetsen is gemaakt naar het voorbeeld van de toetsen uit Halberstadt, die Michael Praetorius beschrijft in ''Syntagma Musicum'' deel II uit 1619. Het klavier hangt via ijzeren walsen direct aan de ventielen.


De pijpen zijn allemaal van dezelfde diameter: 27 mm. Ook hier hebben we weer gehamerd orgelmetaal met 5% tin en 95% lood, met enige kopertoevoeging, gebruikt. De orgelkas is van libanonceder gemaakt. De toetsen zijn van hulst. Het snijwerk (visblasen) is van lindenhout aan beide zijtorens, de bekroning wordt gevormd door wimbergen met een kruisbloem en hogels.

Het is gesneden door Tico Top en beschilderd door Helmer Hut. Het orgel is deelbaar ter hoogte van de pijpenstok en kan dan eenvoudig vervoerd worden.


De windvoorziening is middels afneembare "smids"balgen aan de achterzijde van het orgel. Er kan ook een elektrische ventilator, in een geluidisolerende kist, op aangesloten worden om alleen te kunnen oefenen. De handbediening van de balgen kenmerkt zich duidelijk door een rustiger en veel fraaiere wind.

De afmetingen van het orgel zijn:
hoogte is 200 cm
breedte is 80 cm
diepte is zonder balgen 40 cm
De twee balgen zijn ongeveer 80 cm lang.



Nieuw middeleeuws orgel met twee 8 voets pijpen per toon
en een, met bovensleep registreerbare, 6 voet (duivenei-mensuur)